
Wet inzake de luchtverontreiniging
Artikel 60
1
Wanneer door het Rijk, een provincie, een gemeente, een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen of een ander openbaar lichaam ten behoeve van het bepalen van luchtverontreiniging duurzaam of tijdelijk gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, kan Onze Minister aan ieder die enig recht ten aanzien van die zaken heeft, doch met wie in voorafgaand overleg ter zake geen overeenstemming is bereikt, de verplichting opleggen bedoeld gebruik, behoudens recht op schadevergoeding, te gedogen, indien naar het oordeel van Onze Minister de belangen van de rechthebbenden redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in hun gebruik van die zaken niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijs nodig is.
2
Een krachtens het eerste lid opgelegde verplichting geldt zowel voor hem aan wie zij is opgelegd, als voor diens rechtverkrijgenden.
3
Het besluit tot het opleggen van een verplichting tot gedogen wordt bekendgemaakt aan de rechthebbenden ten aanzien van de onroerende zaak, voor zover dezen aan Onze Minister op dat tijdstip bekend kunnen zijn. Het besluit treedt in werking met ingang van de vijfde werkdag na de datum van bekendmaking.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.